"Instellingen geen doos playmobiel"
ACV-Transcom CULTUUR
Nieuws & info over een breeeeed cultureel veld
ALGEMEEN: CONTACT / HOME / NIEUWS / Sitemap /
FOCUS: MEDIA & CAO's Audiovisuele sector / CAO Muziek / CAO Podium / CAO's Socio-Cultuur/
FOCUS: Gezondheid / Hoorzitting 2005 /
Hoorzitting 2010-2011 / Kunstendecreet / Links / Pers / Wie zijn we /
STATUUT v/d KUNSTENAAR: STATUUT / Cachetberekening / Pensioen&Bijverdienen /
HomeKunstendecreet

Kunstendecreet

Kunstendecreet nota 24.06.05

Eind juni '05 stelde de minister zijn nota aan de Vlaamse Regering voor over de uitvoering van het kunstendecreet. U vindt ze hiernaast.

Op 12 februari 2004 was er dan een Hoorzitting over het Kunstendecreet, waar ook voor de eerste maal de vakorganisaties hun zegje konden doen. Wij stellen vast dat vandaag, in juli 2005, een aantal van onze opmerkingen hun actualiteitswaarde blijven behouden.

Kunstendecreet nota 24.06.05

Kunstendecreet hoorzitting, 12.02.2004

Kabinet, 06.05.03 verslag

Tekst KD, 03/2003

KD Voorontwerp, 12/2003

  Kunstendecreet 2008 PDF

Projectsubsidies 2009


Wijziging kunstendecreet en uitvoeringsbesluit definitief, juli 2008
Op 11 juni 2008 werd het ontwerp van decreet houdende wijziging van het Kunstendecreet goedgekeurd in de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement. Op 18 juli 2008 heeft de Vlaamse Regering het ontwerp van uitvoeringsbesluit bij het recent gewijzigde Kunstendecreet goedgekeurd. Hiermee is de procedure tot wijziging van het Kunstendecreet van 2 april 2004 definitief afgerond.

De wijzigingen zijn van toepassing op alle initiatieven die zullen worden gesubsidieerd vanaf 2010. Dit betekent dat alle aanvragen voor subsidies in 2010 (met aanvraagdatum in 2008 of 2009) zullen moeten gebeuren volgens de nieuwe bepalingen.
Lees meer, klik Kunstendecreet 2008 PDF
(bronnen: VTI, Vlaamse Opverheid, zie Links)
back to top

Kunstendecreet, juli 2005
De minister slaagde erin een stukje meer middelen te vinden. Maar als we weten dat we nooit een noemenswaardige indexatie gekregen hebben, volstaan de bijkomende middelen nauwelijks om dat op te vangen. Ook van het idee van een sociale enveloppe voor de hele sector van 10% dat enkele maanden geleden gezamelijk door de vakorganisaties en VDP (Vlaamse Directie Podiumkunsten) werd voorgesteld en meermaals werd besproken op het kabinet, vinden wij spijts erg zoeken niets herkenbaars terug.

Het Kunstendecreet (2/4/2004) wordt in 2006 voor het eerst toegepast. Dit decreet regelt het Vlaamse ondersteunings- en subsidiebeleid voor de diverse disciplines en sectoren binnen de ruime sector “kunsten”. Dit voorstel behandelt de meerjarige structurele subsidiëring van alle onderdelen, behalve voor het onderdeel muziek. Dit wordt maar eerst in 2007 operationeel; het bestaande Muziekdecreet loopt nog tot 31/12/06, wat betreft de structurele subsidiëring. Lees de volledige nota, de finale adviezen met motivering enz., klik Kunstendecreetnota.doc
back to top


Enkele dingen lichten we uit de nota Kunstendecreet omdat ze de laatste weken heel erg in het nieuws waren:
Raamtheater
Theater Zuidpool
Vlaamse Opera
deFilharmonie
VRO-VRK

GEEN collectief ontslag bij het Raamtheater, 24.06.05. De minister zegt: "Ik wijk af van de eindadviezen. Het Raamtheater wil theater maken voor het middenveld en het brede publiek. Een keuze die ik zeker kan onderschrijven en verantwoord vind vanuit de diversiteit binnen ons theaterlandschap. Maar die keuze mag zich niet vertalen in middelmatige producties. Reeds vroeger werd gewaarschuwd voor het te geringe artistieke niveau van de producties. Vandaar heb ik beslist voor een beperktere structurele ondersteuning voor twee jaar die het gezelschap in staat moet stellen haar artistiek profiel aan te scherpen of zich te herijken binnen het landschap."
Naar aanleiding van deze beslissing van de Minister, besliste de directie van het Raamtheater tot onze grote opluchting om de procedure tot collectief ontslag stop te zetten.

Terzelfdertijd halveert de Minister echter de subsidies bij Theater Zuidpool:
"Ik sluit mij aan bij het geïntegreerde positieve eindadvies. Met de artistieke wissel deze zomer stel ik mij vragen bij het vrijblijvende karakter van de artistieke kern. Het model getuigt van weinig engagement voor het eigen artistieke project. De artistieke continuïteit dreigt de speelbal te worden van de wisselende beschikbaarheid van de leden van de kern. Ook uit het verdere dossier blijkt weinig artistieke coherentie of visie. Het lijkt alsof een nieuw gezelschap een leeg huis overneemt. Het programma lijkt op een losse aaneenschakeling van individuele wensdromen. Ik vind het belangrijk dat Theater Zuidpool als plek blijft bestaan. Het dossier dat voorligt, getuigt echter van weinig maturiteit. Daarom heb ik beslist voor een gevoelige subsidievermindering voor twee jaar."
Klik nieuws
back to top

Vlaamse Opera
"
Samen met de Internationale Beoordelingscommissie voor de Vlaamse Opera druk ik mijn bezorgdheid uit over de kosten van deze symfonische concerten in relatie tot het totale artistieke budget van de Vlaamse Opera. De Internationale Beoordelingscommissie voor de Vlaamse Opera pleitte ervoor om het budget maximaal te besteden aan de kernopdracht van de Vlaamse Opera : het brengen van opera, en dan bij voorkeur zoveel mogelijk scenisch.
Ik sluit me aan bij de waardering van de Internationale beoordelingscommissie voor de Vlaamse Opera op vlak van de artistieke kwaliteit van de lunchconcerten, liedrecitals en symfonische concerten. De liedrecitals zijn van hoog niveau en kennen een hoge publieksbezetting. De lunchconcerten zijn zorgvuldig geprogrammeerd, sluiten aan bij de programmering van de operaproducties, en hebben zowel in Gent als Antwerpen een vrij groot en trouw publiek. Dat goede niveau geldt ook voor de symfonische concerten door het vaste koor en orkest van de Vlaamse Opera.
De Vlaamse Opera kent een vrij grote uitstraling in Vlaanderen, maar ook in het buitenland.
De Vlaamse Opera heeft een internationale reputatie en komt ruimschoots aan bod in de internationale pers, en krijgt in het buitenland overigens ook heel frequent lovende perskritieken voor hun producties. De door de Vlaamse Opera doorgaans op een heel behoorlijk niveau en op een vrij hedendaagse manier gebrachte voorstellingen kennen een publieksbezetting van maar liefst 95%.De laatste jaren vinden ook steeds meer jongeren de weg naar opera. Het genre blijft dus bijzonder actueel binnen een kunstenlandschap.
Ik wil de aanbeveling onderzoeken om de structuur van de Vlaamse Opera te veranderen, zodat het statuut nauwer zou aansluiten bij dat van de andere culturele organisaties. Op die manier zouden de CAO's die voor de sector van de podiumkunsten gelden, toegepast kunnen worden en zou de Vlaamse Opera op dezelfde manier verslag moeten uitbrengen aan de overheid als de andere organisaties.
De structuur van de Vlaamse Opera met een “intendant” die verantwoordelijk is voor de volledige werking van de organisatie, wordt als een probleem beschouwd. Er is duidelijk nood aan een zakelijk leider die meer controle heeft over de artistieke planning en die als interne waakhond over de financiële gezondheid van de organisatie kan waken. Daarom zou een constructie met een artistiek en financieel directeur die op hetzelfde niveau staan (zoals in Nederland), overwogen moeten worden. Over deze punten is er trouwens overeenstemming met het rapport van de veranderingsmanager. Op zakelijk vlak heeft de Vlaamse Opera onvoldoende initiatieven ondernomen en zouden er meer concrete maatregelen genomen moeten worden."
Klik nieuws
back to top

deFilharmonie
"
De Filharmonie heeft het profiel van een symfonisch orkest met duidelijke programma’s die een aantal keren worden gebracht. Dit orkest geeft ook geregeld concerten in het buitenland, maar niet op de echte belangrijke podia.
Waar er voor het Vlaams Radio-orkest een oplossing in zicht is voor de locatie is dit niet dadelijk mogelijk voor de Filharmonie. Zij zouden graag de Elisabethzaal in Antwerpen als een vaste plaats gebruiken. Er bestaan plannen in die zin die ik op korte termijn zal evalueren. Dit geldt ook voor wat betreft de problematiek van de huidige repetitielocatie, die speciaal voor het orkest werd gecreëerd maar akoestisch niet voldoet voor de grootte van het orkest.
Naast het gewone concertrepertoire heeft de Filharmonie haar activiteiten breder uitgebouwd zodat er ook educatieve en sociaal-artistieke activiteiten zijn. Soms is het orkest ook aanwezig bij grotere manifestaties.
De Filharmonie heeft zich door de aanstelling van Philippe Herreweghe als muziekdirecteur internationaal op de kaart gezet. Daardoor krijgt het orkest meer kansen op de grote podia. Deze lijn moet over het hele beleid kunnen doorgezet worden.
Een gezond financieel beleid heeft ervoor gezorgd dat reserves konden aangelegd worden. Het orkest wil op termijn een gedeelte van die reserves investeren in de aankoop van een historisch instrumentarium. Ik ben niet overtuigd of dit tot de kerntaken van het orkest behoort. Men creëert geen historische uitvoering door enkel de juiste instrumenten te kiezen: er is ook de techniek, de achtergrond en de feeling met de materie. Er zijn voldoende goede historische orkesten in Vlaanderen die bovendien spelen op de grote internationale podia. Zij hebben niet alleen een goede bezetting maar ook een visie over de uitvoering van die muziek. De Filharmonie moet zich concentreren in de uitbouw van haar kerntaken en niet inspelen op een trend die ze bijna modieus volgen zonder daarom de diepere inhoud ervan te raken."
Klik nieuws
back to top

VRO-VRK
"
Het VRO wil een eigen profiel uitbouwen waarbij vooral de hedendaagse muziek een plaats krijgt. Deze keuze voor hedendaagse muziek dient duidelijk te worden gemaakt en de muziek moet kwaliteitsvol worden gebracht. De uitvoeringen zijn op dit moment veel te wisselend van kwaliteit om voldoende vertrouwen op te bouwen bij publiek en concertorganisatoren.
Het Vlaams Radio Koor heeft momenteel een heel beperkt publieksbereik. Dit betekent dat de geïnvesteerde middelen maar een beperkte return opleveren. Er moet werk gemaakt worden van de communicatie om de uitstraling van het koor te verbeteren waarbij het repertoire meer op de internationale schaal moet staan. Op dit moment zijn de meeste concerten op kleine locaties in Vlaanderen.
Zowel VRO als VRK voert een aantal projecten uit in samenwerking met de VRT. De opnames die gebeuren met de VRT zijn musicologisch interessant, maar te weinig gericht op een permanente verscherping van hun profiel. Het repertoire dat in deze projecten wordt gespeeld bevat dikwijls Vlaamse muziek die weinig wordt uitgevoerd, maar dan weer niet interessant is voor buitenlandse organisatoren. Indien het VRO en VRK in een deel van hun programma resoluut gaan voor Vlaamse muziek moet dit ook kunnen gebracht worden volgens de internationale kwaliteitsnormen zodat deze muziek een internationale waardering kan krijgen.
Het VRO en VRK hebben een veel te kleine omkadering om voldoende professioneel te kunnen functioneren. Hierdoor is hun communicatie te gebrekkig en is de begeleiding van de twee formaties op verplaatsing niet voldoende onderbouwd. Maar ook hun profilering is onvoldoende en het werven van concerten blijft te zwak ondersteund. Verder moet er ook meer omkadering komen om aan fondsenwerving te doen zodat het orkest meer eigen inkomsten kan verwerven en een eigen publiek kan opbouwen. Ik heb dan ook extra financiële inspanningen van de Vlaamse gemeenschap bedongen met een stijging van de subsidie zodat optimaal kan gewerkt worden aan een efficiëntere werking en uitstraling. Ik heb dan ook extra financiële inspanningen van de Vlaamse gemeenschap bedongen met een substantiële stijging van de subsidie. Weliswaar zullen zich scherpe keuzes opdringen."
Klik nieuws
back to top


Kunstendecreet hoorzitting, 12.02.2004
hoorzitting volledige tekst PDF
Wij stellen vast dat in juli 2005 een aantal van onze opmerkingen hun actualiteitswaarde blijven behouden:

  • Sociaal bekeken: geen garantie in decreet zelf over minimum % financiering van medewerkers, dat wordt door de Vlaamse Regering in een besluit geformuleerd. Dit is hic et nunc een achteruitgang tegenover de huidige situatie in het decreet podiumkunsten.

  • Wij durven hier eisen dat de beleidsplannen worden opgemaakt rekening houdende met 10% loonsopslag exclusief index en anciënniteit, daar we reeds sinds 1993 geen enkele loonsopslag hebben verkregen. Uit de loonstudie van Hay blijkt dat we helemaal onderaan de ladder staan in vergelijking met de markt. Met markt wordt hier bedoeld de betaalde lonen in Vlaanderen en Brussel, zowel in privé als in semi-overheidsinstellingen. Enkele uitzonderingen niet te na gesproken, halen we zelfs de mediaan niet en zitten in het kwartaal Q1. In mensenwoorden vertaald wil dat zeggen, 75% van de referentie-instellingen uit de studie verdienen meer dan de gehanteerde barema’s in de podiumkunsten, dans, muziek, enz
    Einde jaren '90 leerde ons ook een interessante studie van de Nederlandse Toonkunstenaarsbond, dat als we er van uitgaan dat de lonen in Nederland vergelijkbaar zijn met de lonen in België, wij helemaal onderaan bengelen in vergelijking met landen zoals Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Frankrijk, enz.
    We hoeven maar een vergelijking te maken met de wedden in onderwijs om vast te stellen dat we mijlenver achterlopen…
    Voor de beeldende kunst is er de CAO in de culturele centra (pc 329), en er moet absoluut worden onderhandeld voor de sectoren die nu niets hebben.

  • Er is nood aan info over sociaal statuut van de kunstenaars, voor de kunstenaars, maar ook voor de organisaties en organisatoren. De situatie is soms wraakroepend: Er werden vooral in bepaalde muzieksectoren geen sociale bijdragen betaald en deze trend zet zich nog steeds door. Jammer genoeg weten wij maar al te goed dat sommige grote werkgevers zoals festivals heel vaak de wet niet respecteren.

  • Jammer genoeg blijft het onze overtuiging dat de kunstenaars steeds meer en meer in precaire situaties belanden. Er zijn quasi geen contracten meer van onbepaalde duur en in de ‘grote’ gezelschappen dramatische kunst zijn er hooguit nog kleine kernen van acteurs die een jaarcontract krijgen. De grote massa van acteurs heeft stempelgeld als basisinkomen en werken voor de rest steeds met korte contracten… is dat de bedoeling? De omkadering kost handen vol geld, doch de kunstenaars leven van de dop. Daar stelt zich toch een fundamenteel maatschappelijk probleem.

  • Ook de versnippering van subsidies is geen goede zaak. In de sector muziek worden soms veel te kleine bedragen toegekend waardoor de instellingen eigenlijk niet in staat zijn om CAO’s toe te passen. Het is dus wel een goede zaak dat in het decreet is opgenomen dat men de organisaties op hun financiële haalbaarheid zal toetsen.

  • Verder moeten we erop wijzen dat de “grote instellingen” niet in weelde leven: de Vlaamse Opera wordt gedwongen steeds meer besparingen door te voeren, het VRO-VRK heeft problemen met infrastructuur en tekort aan middelen. Wat zich ook manifesteert in de krappe leiding die men deze week in een mini-constellatie heeft aangesteld… Er zou meer zorg en fierheid moeten zijn voor de eigen instellingen van de Vlaamse regering. Is het eigenlijk wel normaal dat zij nu ook om de vier jaar zullen worden geëvalueerd? De overheid kiest er toch bewust voor om bepaalde instellingen structureel te subsidiëren. Wel is het normaal dat er uiteraard op de kwaliteit wordt toegezien. En echt blij zijn we wel dat als er wat fout loopt, het de leiding is die de laan wordt uitgestuurd, en niet de instelling die wordt gestraft.

  • Wat betreft de beoordelingscommissies dringen wij aan dat vooral ook de stem van de kunstenaars zou worden gehoord. Het zijn tenslotte de kunstenaars die de kunst maken, het gaat niet op dat er quasi uitsluitend wordt geoordeeld door "deskundigen". Voor ons staan de echte deskundigen op de Bühne.

  • Tot slot denken we dat een kunstendecreet slechts goed kan functioneren als er voldoende middelen tegenover staan. Zodus wordt de begroting 2006 cruciaal voor de uitvoering van dit decreet. Wij roepen hierbij alle partijen op om gezamenlijk te ijveren voor meer middelen voor cultuur opdat alle geledingen van de bevolking ook daadwerkelijk zouden kunnen genieten van de uitvoering van dit kunstendecreet.

We waren op 06.05.03 op het Kabinet Cultuur, om o.a. te praten over het Kunstendecreet. We danken Ann Ollaerts en Bart Caron voor hun tijd en het constructieve gesprek.Een belangrijke toelichting is dat het Kabinet en regering duidelijk te kennen geven een aantal grote instellingen te willen behouden, waaronder de opera, Filharmonie, VRO, Ballet, enz.
Ook zal men bij een eventuele negatieve beoordeling (de beoordeling dient om de 4 jaar te gebeuren) van een instelling niet de ganse instelling afstraffen door de 4-jaarlijkse subsidie-enveloppe te schrappen, maar zal men wel de directie of raad van bestuur wijzigen. (Dit is een letterlijke vertaling van een ACV-bekommernis - we mogen toch een beetje trots zijn...). Een belangrijke toelichting die we u zo snel mogelijk wilden vertellen. Lees de volledige neerslag van de vergadering met het kabinet, hieronder:

Vergadering met Kabinet Cultuur 06.05.03 PDF
back to top


MEER INFORMATIE
ACV Transcom, CULTUUR
Jean-Paul Van der Vurst - Algemeen Sectorverantwoordelijke
Steenstraat 29, 1000 Brussel
Tel 02/289 08 30
Fax 02/514 18 36
GSM 0475/49 37 20
jpvandervurst.transcom@acv-csc.be

Servaas Le Compte - Bijzonder Medewerker
GSM 0495 508 408
info@acvcultuur.be
contact

back to top


KUNSTENDECREET – Inhoudsopgave
Hoofdstuk I. - Algemene bepalingen
Hoofdstuk II. - Subsidiëring van KUNSTENorganisaties
Afdeling 1. – Subsidiëring voor het geheel van de werking
Onderafdeling A. – Technieken en vormen van subsidiëring

Onderafdeling B. – Basisvoorwaarden en beoordelingscriteria
Afdeling 2. - Subsidiëring van projecten
Hoofdstuk III.- Subsidies aan kunstenaars
Afdeling 1. - Ontwikkelingsgerichte beurzen
Afdeling 2. - Projectbeurzen
Afdeling 3. - Creatieopdrachten
HOOFDSTUK IV.- SUBSIDIERING VAN organisaties voor KUNSTEDUCATIE EN ORGANISATIES VOOR SOCIAAL ARTISTIEKE WERKING
Afdeling 1. – Subsidiëring voor het geheel van de werking
Onderafdeling A. – Technieken en vormen van subsidiëring

Onderafdeling B. – Basisvoorwaarden en beoordelingscriteria
Afdeling 2.- Subsidiëring van projecten
Hoofdstuk V.- Subsidies aan internationale projecten
Hoofdstuk VI.- Subsidies VOOR publicaties
Afdeling 1. – Subsidies aan periodieke publicaties
Afdeling 2. – Subsidies aan niet periodieke publicaties
HOOFDSTUK VII.- SUBSIDIES AAN STEUNPUNTEN
Hoofdstuk VIII.- Kwaliteitsbeoordeling
Hoofdstuk IX.- Slotbepalingen.
back to top

Hoofdstuk I. - Algemene bepalingen
Art. 1.
Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
back to inhoudsopgave KD

Art. 2. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder:
1° een werkingsjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december;
2° professioneel: elke organisatie die voor haar activiteiten een of meerdere personeelsleden in hoofdambt in dienst heeft;
3° project: een initiatief op het vlak van de kunsten dat zowel qua opzet of doelstelling als in tijd kan afgebakend worden;
4° subsidie: financiële steun toegekend door welke overheid ook en door de Nationale loterij;
5° eigen inkomsten: alle inkomsten verkregen per werkingsjaar na aftrek van de subsidies;
back to inhoudsopgave KD

Art. 3. Dit decreet is van toepassing op de subsidiëring van:
§ 1. meerjarige werking van professionele organisaties, zijnde:
1° kunstencentra, zijnde organisaties die zich toeleggen op het organiseren van culturele manifestaties op vlak van creatie, presentatie en publiekwerking;
2° festivals, zijnde organisaties die zich toeleggen op het organiseren, binnen een welbepaalde tijdsspanne, van culturele manifestaties; op vlak van presentatie, publiekwerking en/of creatie;
3° organisaties voor Nederlandstalige dramatische kunst, zijnde het geheel van activiteiten op het vlak van teksttheater, en van vormen van theater die niet in de categorieën genoemd in 1°, 2°, 4°, 5° en 9° opgenomen zijn;
4° organisaties voor dans, zijnde de scenische kunstvorm waarin het bewegen van het menselijk lichaam de belangrijkste uitdrukkingsvorm is;
5° organisaties voor muziektheater, zijnde het geheel van initiatieven waarin muziek, in hoofdzaak live uitgevoerd, met theatrale vormen verbonden wordt;
6° muziekensembles, zijnde vocale, instrumentale of gemengde groepen van uitvoerende musici die beroepsmatig met het ensemble verbonden zijn;
7° concertorganisaties, zijnde organisaties die onafhankelijk van het commerciële concertcircuit op een continue wijze concerten programmeren;
8° muziekclubs, zijnde organisaties die in een vaste kern concerten programmeren;
9° werkplaatsen, zijnde organisaties die zich toeleggen op ondersteuning van creatie, ontwikkeling en/of dienstverlening aan kunstenaars;
10° organisaties voor beeldende kunst, zijnde organisaties die, onafhankelijk van het commerciële galeriecircuit, publieksgerichte initiatieven ontwikkelen binnen het veld van de hedendaagse beeldende kunst, exclusief creatie;
11° grote instellingen, zijnde grootschalige instellingen die als zodanig worden aangewezen door de Vlaamse regering;
12° architectuurorganisaties, zijnde organisaties die onafhankelijk van de commerciële architectuurpraktijk, publieksgerichte initiatieven ontwikkelen binnen het veld van architectuur, landschapsarchitectuur, vormgeving, en/of ruimtelijke ordening;
13° organisaties voor audio-visuele kunsten, zijnde organisaties die onafhankelijk van de commerciële circuit initiatieven ontwikkelen binnen het veld van de audio-visuele kunsten exclusief de creatie;
14° organisaties voor kunsteducatie, zijnde organisaties met als kerntaak het opzetten van educatieve activiteiten waarbij men individueel en / of in groep leert omgaan met kunsten;
15° organisaties voor sociaal-artistieke werking, zijnde organisaties met als kerntaak het opzetten van sociaal artistieke activiteiten en waarbij de procesmatige werking met betrokkenheid van de doelgroep en het procesmatige van de werking voorop staat.

§ 2. projecten, zijnde
1° projecten Nederlandstalige dramatische kunst;
2° projecten dans;
3° projecten muziektheater;
4° projecten muziek;
5° projecten beeldende kunsten;
6° projecten architectuur;
7° projecten vormgeving;
8° projecten audiovisuele kunsten;
9° projecten festivals;
10° internationale projecten;
11° projecten kunsteducatie;
12° projecten sociaal-artistiek werk;

§ 3. kunstenaars, zijnde
1° ontwikkelingsgerichte beurzen;
2° projectbeurzen;
3° creatieopdrachten;

§ 4. publicaties, zijnde
1° periodieke publicaties;
2° niet periodieke publicaties;

§ 5. steunpunten, zijnde
1° steunpunt podiumkunsten;
2° steunpunt muziek;
3° steunpunt beeldende kunsten;
4° steunpunt architectuur;
5° steunpunt audiovisuele kunsten.
back to inhoudsopgave KD

Hoofdstuk II. - Subsidiëring van KUNSTENorganisaties

Afdeling 1. – Subsidiëring voor het geheel van de werking
Onderafdeling A. – Technieken en vormen van subsidiëring

Art. 4.
§ 1. Aan organisaties, bedoeld in artikel 3, §1,1°-13° kunnen subsidies worden verleend voor het geheel van hun werking.

§ 2. De jaarlijks door het Vlaams Parlement goedgekeurde kredieten bepalen het maximale bedrag aan subsidies dat jaarlijks aan de in § 1 vermelde begunstigden toegekend kan worden.

§ 3. Het in artikel 5, §1 vooropgestelde financieringsbudget wordt in het betrokken begrotingsjaar verminderd indien de naleving van de budgettaire beperking, vermeld in § 2 van dit artikel, dit noodzakelijk maakt.
back to inhoudsopgave KD

Art. 5.
§ 1. De subsidies, bedoeld in artikel 4, § 1, kunnen om de vier jaar toegekend worden in de vorm van een vierjaarlijks financieringsbudget. Dit financieringsbudget bevat de nodige middelen voor de subsidiëring van basis-, personeels-, en werkingskosten van de organisaties, bedoeld in artikel 3, §1, 1°-13°.

De subsidies, bedoeld in artikel 4, § 1, kunnen om de twee jaar toegekend worden in de vorm van een tweejaarlijks financieringsbudget. Dit financieringsbudget bevat de nodige middelen voor de subsidiëring van basis-, personeels-, en werkingskosten van de organisaties, bedoeld in artikel 3, §1,1°-13°. De minister kan beslissen een tweejarige subsidie toe te kennen aan organisaties die een vierjarige subsidiëring aanvragen.

§ 2. De subsidies, bedoeld in artikel 4, § 1, worden in de vorm van voorschotten per kwartaal beschikbaar gesteld. De Vlaamse regering bepaalt hoe de voorschotten berekend, uitbetaald en teruggevorderd kunnen worden.

§ 3. Bij de aanvang van elk werkingsjaar mag de Vlaamse regering de subsidies aanpassen ter financiering van de extra personeelsuitgaven die voortvloeien uit de stijging van het indexcijfer op basis waarvan de salarissen van de Vlaamse ambtenaren worden berekend. Onverminderd artikel 4, § 2, gebeurt de aanpassing van deze subsidies binnen de perken van de door het Vlaams Parlement goedgekeurde kredieten.
back to inhoudsopgave KD

Art. 6.
§ 1. De aanvragen tot subsidiëring van een vierjarige periode moeten uiterlijk op 1 september van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan de meerjarige subsidieperiode bij de door de Vlaamse regering aangewezen dienst worden ingediend;

De aanvragen tot subsidiëring van een tweejarige periode moeten uiterlijk op 1 maart van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan de meerjarige subsidieperiode bij de door de Vlaamse regering aangewezen dienst worden ingediend.

§ 2. De Vlaamse regering bepaalt in hoeveel exemplaren en op welke wijze de aanvraag tot subsidiëring overgemaakt moet worden. Zij bepaalt eveneens welke gegevens en documenten de aanvraag tot subsidiëring minimaal moet bevatten.

§ 3. De door de Vlaamse regering aangewezen dienst onderzoekt of de aanvraag tijdig en volledig werd ingediend en voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 7 §1. Indien de aanvraag niet tijdig of onvolledig werd ingediend of niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 7 §1 is deze aanvraag onontvankelijk.
De Vlaamse regering bepaalt nader de procedure voor de behandeling van onontvankelijke aanvragen.

§ 4. De Vlaamse regering bepaalt nader de procedure voor het aanvragen en toekennen van subsidies, zoals bedoeld in artikel 4.

§ 5. De Vlaamse regering beslist over de toekenning en over de grootte van de subsidies, bedoeld in artikel 4 aan de hand van de relevante beoordelingscriteria, bedoeld in artikel 8. Deze beslissing gebeurt met inbegrip van de optionele internationale, sociaal artistieke en kunsteducatieve elementen van de werking, aan de hand van de criteria bedoeld in artikel 38 en artikel 48.
§ 6. De Vlaamse regering neemt die beslissing uiterlijk zes maanden voor het begin van de meerjarige periode.

§ 7. Als de Vlaamse regering niet tijdig een beslissing neemt over de toekenning van de meerjarige subsidiëring, dan wordt de subsidiëring van de organisaties die reeds in toepassing van artikel 4, § 1, gesubsidieerd werden, met één jaar verlengd. Onverminderd artikel 4, § 2, is de voor dat jaar uitgekeerde subsidie gelijk aan een vierde van het financieringsbudget van vier jaar of een tweede van het financieringsbudget van twee jaar, eventueel met een aanpassing, zoals bedoeld in artikel 5, § 3.
back to inhoudsopgave KD

Onderafdeling B. – Basisvoorwaarden en beoordelingscriteria
Art. 7.
§ 1. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, moeten de organisaties, bedoeld in artikel 3, §1,1°-13° voldoen aan de volgende basisvoorwaarden:

1° beschikken over rechtspersoonlijkheid met niet-commercieel karakter;

2° gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;

3° een artistiek of inhoudelijk en financieel beleidsplan indienen en uitvoeren;

4° het artistieke of inhoudelijke beleid, op grond van het beleidsplan, toevertrouwen aan een artistieke of inhoudelijke leiding, waarbij de persoon (of personen) die de artistieke of inhoudelijke leiding uitoefent (of uitoefenen) contractueel verbonden is (of zijn) met de organisatie;

5° het zakelijke beleid, op grond van het beleidsplan, toevertrouwen aan een zakelijke leiding die contractueel verbonden is met de organisatie; zowel het artistieke of inhoudelijke als het zakelijke beleid kan aan eenzelfde persoon worden toevertrouwd;

6° de collectieve arbeidsovereenkomsten van de sector waarin subsidie wordt aangevraagd, gesloten tussen de erkende vakbonden en werkgeversfederaties en geregistreerd op het Ministerie van Arbeid en Tewerkstelling, naleven;

7° een boekhouding voeren conform de bepalingen van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen;

8° zorg dragen voor het eigen archief.

§ 2. Organisaties zoals bedoeld in artikel 3 §1,1°-12° moeten voldoen aan een aantal kwantitatief meetbare criteria : de Vlaamse regering bepaalt de criteria en de minima die moeten behaald worden.

1° organisaties zoals bedoeld in artikel 3,§1,1°-8°, 11° en 13° moeten tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimum 12.5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de totale uitgaven;
2° organisaties zoals bedoeld in artikel 3,§1, 9°, 10° en 12° moeten per werkingsjaar gemiddeld minimum 5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de totale uitgaven.

§ 3. Het artistiek en financieel beleidsplan, bedoeld in § 1, 3° van dit artikel is een nota waarin de organisatie:

1° haar artistieke of inhoudelijke beleidsvisie toelicht, uiteenzet hoe zij zichzelf, in vergelijking met andere organisaties, binnen het veld van de kunsten positioneert en omschrijft waaruit de eigen mix van functies bestaat die zij met haar werking invult, met inbegrip van de optionele functies zij wil invullen op het vlak van internationale, sociaal-artistieke, en/of kunsteducatieve werking. De organisatie geeft daarbij aan in welke mate zij volgende functies nu reeds invult en hoe zij deze functies naar de toekomst wil invullen:

organisaties zoals bedoeld in artikel 3,§1,1°-8° en 11°:
a. creatiegerichtheid
b. presentatiegerichtheid
c. publieksgerichtheid
organisaties zoals bedoeld in artikel 3,§1, 10°, 12° en 13°:
a. presentatiegerichtheid
b. publieksgerichtheid
organisaties bedoeld in artikel 3,§1,9°:
a. creatiegerichtheid

2° haar zakelijke beleidsvisie toelicht. De organisatie geeft daarbij aan hoe de zakelijke leiding van de organisatie functioneert en op welke manier zij aan de kwaliteitsontwikkeling van de eigen organisatie werkt;

3° haar artistieke of inhoudelijke, organisatorische en financiële planning voor de subsidiëringsperiode op realistische en, minstens wat het eerste werkjaar van deze periode betreft, meer gedetailleerde wijze uiteenzet.

De organisatie is verplicht om met betrekking tot elk dienstjaar een geactualiseerd beleidsplan in te dienen.

De Vlaamse regering bepaalt nader de inhoud van het artistiek of inhoudelijk en financieel beleidsplan, de wijze waarop dit jaarlijks geactualiseerd moet worden en de wijze waarop en de termijn waarbinnen de organisatie dit geactualiseerd beleidsplan moet indienen.
back to inhoudsopgave KD

Art. 8.
§ 1. Om de grootte van het financieringsbudget te bepalen, worden – rekening houdend met de specificiteit van de betrokken organisatie – de volgende beoordelingscriteria gehanteerd, voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van de gesubsidieerde activiteit:

1° huidige profilering en positionering;

2° langetermijnvisie;

3° kwaliteit van inhoudelijk concept en concrete (uit)werking;

4° landelijke en/of internationale uitstraling;

5° samenwerking met artistieke actoren in Vlaanderen en / of in het buitenland;

6° haalbaarheid;

7° publieksgerichtheid;

8° gedegen financiële onderbouw van de werking.


§ 2. In aanvulling van de criteria, genoemd in § 1 van dit artikel, mag de Vlaamse regering aanvullende criteria bepalen.

De adviescommissies adviseren de Vlaamse regering bij het bepalen van aanvullende criteria met betrekking tot de artistieke of inhoudelijke kwaliteit van de gesubsidieerde activiteit. Zij kunnen zelf ook aanvullende artistieke of inhoudelijke criteria ter goedkeuring voorstellen aan de Vlaamse regering.

De lijst van aanvullende criteria moet kenbaar gemaakt worden voor 31 maart van het jaar waarin de aanvraag tot subsidiëring moet worden ingediend. Als deze aanvullende criteria niet tijdig kenbaar gemaakt worden, gelden de aanvullende criteria die het laatst van toepassing zijn.

§ 3. Wat de in artikel 7 §3, 1° vermelde optionele functies betreft worden, in aanvulling van de criteria, genoemd in § 1 en §2 van dit artikel, – rekening houdend met de specificiteit van de betrokken organisatie – de beoordelingscriteria genoemd onder de artikelen 38 en 49 gehanteerd, voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van de gesubsidieerde activiteit.
back to inhoudsopgave KD

Art. 9.
Onverminderd artikel 7, mag de Vlaamse regering bijkomende subsidiëringsvoorwaarden opleggen met de uitsluitende bedoeling dubbele subsidiëring vanwege de Vlaamse Gemeenschap te voorkomen.
back to inhoudsopgave KD

Art. 10.
§ 1. Onverminderd artikel 5, § 1, moeten de provincies en gemeenten waar een organisatie, zoals bedoeld in artikel 1 is gevestigd, opgericht of mede-opgericht door deze ondergeschikte besturen en gesubsidieerd zoals bedoeld in artikel 5, § 1, behoudens afwijkingen toegestaan door de Vlaamse regering, het bewijs leveren dat zij gedurende de periode van vier werkingsjaren een financiële bijdrage verlenen waarvan het totale bedrag gelijk is aan de door de Vlaamse Gemeenschap verleende financieringsenveloppe. Behoudens de door de Vlaamse regering goed te keuren afwijkingen, komt dit totale subsidiebedrag voor één vierde ten laste van de provincie en voor drie vierden ten laste van de gemeente.

§ 2. De afwijkingen, bedoeld in § 1, kunnen alleen toegestaan worden op voorwaarde dat de betrokken provincie of gemeente onderworpen wordt aan een door een hogere overheid opgelegde sanering van de overheidsfinanciën.

§ 3. De Vlaamse regering sluit een overeenkomst met de Vlaamse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest en met één of meer gemeenten gelegen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, om een gelijkwaardige medefinanciering te verkrijgen, zoals bedoeld in § 1, voor de organisaties, bedoeld in artikel opgericht of medeopgericht door de Vlaamse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest en/of gemeenten en gevestigd in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
back to inhoudsopgave KD

Art. 11.
Onverminderd de artikelen 4 tot en met 8, sluit de Vlaamse regering een beheersovereenkomst met de organisaties bedoeld in artikel 3, 11° waarin de nadere subsidievoorwaarden en de modaliteiten van werking en toezicht worden bepaald.
back to inhoudsopgave KD

Afdeling 2. - Subsidiëring van projecten
Art. 12.
Aan organisaties kunnen subsidies worden toegekend voor de realisatie van een project.
back to inhoudsopgave KD

Art. 13.
Organisaties, die reeds gesubsidieerd worden, zoals bedoeld in artikel 4, kunnen geen subsidie verkrijgen, zoals bedoeld in artikel 12 .
back to inhoudsopgave KD

Art. 14. De subsidies, bedoeld in artikel 12, worden in de vorm van voorschotten beschikbaar gesteld. De Vlaamse regering bepaalt hoe de voorschotten berekend, uitbetaald en teruggevorderd kunnen worden.
back to inhoudsopgave KD

Art. 15. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, zoals bedoeld in artikel 12, moeten de organisaties voldoen aan de volgende basisvoorwaarden :
1° beschikken over rechtspersoonlijkheid met niet-commercieel karakter;

2° gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;

3° voor projecten bedoeld in artikel 3, §2, 1°-4° : de meerderheid van de medewerkers moet in hoofdambt actief betrokken zijn bij het project;

4° de collectieve arbeidsovereenkomsten van de sector waarin subsidie wordt aangevraagd, gesloten tussen de erkende vakbonden en werkgeversfederaties en geregistreerd op het Ministerie van Arbeid en Tewerkstelling, naleven.
back to inhoudsopgave KD

Art. 16.
§ 1. Om de grootte van het financieringsbudget te bepalen, worden – rekening houdend met de specificiteit van de betrokken organisatie – de volgende beoordelingscriteria gehanteerd, voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van de gesubsidieerde activiteit:

1° kwaliteit van inhoudelijk concept en concrete (uit)werking;

2° profilering en positionering;

3° landelijke en/of internationale uitstraling;

4° samenwerking met artistieke actoren in Vlaanderen en/of in het buitenland;

5° haalbaarheid;

6° publieksgerichtheid;

7° gedegen financiële onderbouw.

§ 2. In aanvulling van de criteria, genoemd in § 1 van dit artikel, mag de Vlaamse regering aanvullende criteria bepalen.
back to inhoudsopgave KD

Art. 17.
§ 1. Voor projecten zoals bedoeld in artikel 3, §2, 1°-3° en 9°, moeten de aanvragen tot subsidiëring schriftelijk worden ingediend uiterlijk 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het project van start gaat.

Voor projecten zoals bedoeld in artikel 3, §2, 4° moeten aanvragen tot subsidiëring van projecten die starten in de periode januari-april schriftelijk worden ingediend uiterlijk 15 oktober van het voorgaande jaar;
aanvragen tot subsidiëring van projecten die starten in de periode mei-augustus moeten schriftelijk worden ingediend uiterlijk 15 januari van het jaar in kwestie;
aanvragen tot subsidiëring van projecten die starten in de periode september-december moeten schriftelijk worden ingediend uiterlijk 15 mei van het jaar in kwestie;

Voor projecten zoals bedoeld in artikel 3, §2, 5°-8°, moeten aanvragen tot subsidiëring van projecten die starten in de periode januari-augustus schriftelijk worden ingediend uiterlijk 15 oktober van het voorgaande jaar;
aanvragen tot subsidiëring van projecten die starten in de periode september-december moeten schriftelijk worden ingediend uiterlijk 15 april van het jaar in kwestie.

§ 2. De Vlaamse regering bepaalt in hoeveel exemplaren en op welke wijze de aanvraag tot subsidiëring overgemaakt moet worden. Zij bepaalt eveneens welke gegevens en documenten de aanvraag tot subsidiëring minimaal moet bevatten.

§ 3. De door de Vlaamse regering aangewezen dienst onderzoekt of de aanvraag tijdig en volledig werd ingediend en voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 15. Indien de aanvraag niet tijdig of onvolledig werd ingediend of niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 15 is deze aanvraag onontvankelijk.
De Vlaamse regering bepaalt nader de procedure voor de behandeling van onontvankelijke aanvragen.

§ 4. De Vlaamse regering bepaalt nader de procedure voor het aanvragen en toekennen van subsidies, zoals bedoeld in artikel 12.

§ 5. De Vlaamse regering neemt de beslissing over de toekenning, over de grootte van de subsidies, bedoeld in artikel 12, rekening houdend met de criteria bedoeld in artikel 16, uiterlijk vier maanden na de ultieme indieningsdatum van de aanvragen tot subsidiëring, zoals bepaald in § 1.
back to inhoudsopgave KD


Hoofdstuk III.- Subsidies aan kunstenaars
Art. 18.
§ 1. De Vlaamse regering kan, binnen de perken van de door het Vlaams parlement goedgekeurde kredieten, subsidies toekennen, gericht op de ondersteuning van de creatieve activiteit van kunstenaars.

§ 2. Vallen buiten het toepassingsgebied van dit hoofdstuk :

1° de creatieve activiteit van kunstenaars die zich situeert binnen het werkterrein van het Fonds der Letteren, opgericht krachtens het decreet van 17 maart 1999 houdende de oprichting van een Vlaams Fonds voor de Letteren, met uitzondering voor wat betreft subsidies zoals bedoeld in artikel 19, 3°;

2° de creatieve activiteit van kunstenaars die zich situeert binnen het werkterrein van het Audiovisueel Fonds, opgericht krachtens het decreet van 13 april 1999 houdende machtiging van de Vlaamse regering om toe te treden tot en om mee te werken aan de oprichting van de vereniging zonder winstgevend doel Vlaams Audiovisueel Fonds;

3° de creatieve activiteit van kunstenaars die zich situeert binnen het werkterrein van het VIZO opgericht krachtens het decreet van 23/1/91 betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen, Dienst Vormgeving;

4° onderzoek, ontwerp en uitvoering van al dan niet experimentele bouwprojecten.
back to inhoudsopgave KD

Art. 19.
De Vlaamse regering kan binnen haar krachtens artikel 18, §1 gevoerde subsidiebeleid volgende subsidies toekennen:
1° ontwikkelingsgerichte beurzen;
2° projectbeurzen;
3° creatieopdrachten;
back to inhoudsopgave KD

Art. 20.
§ 1. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring zoals bedoeld in artikel 19, moet de kunstenaar voldoen aan de volgende voorwaarde: sinds minstens drie jaar betrokken zijn bij het kunstgebeuren binnen de Vlaamse Gemeenschap.

§ 2. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring zoals bedoeld in artikel 19, 1°, in voorkomend geval voldoen aan de voorwaarde gesteld in artikel 22 § 2.

§ 3. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring zoals bedoeld in artikel 19, 3°, voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 31 § 1.
back to inhoudsopgave KD

Art. 21.
§ 1. De aanvragen voor ontwikkelingsgerichte beurzen moeten uiterlijk op (datum nader te bepalen) bij de door de Vlaamse regering aangewezen dienst worden ingediend;

De aanvragen voor projectbeurzen moeten uiterlijk (datum nader te bepalen) bij de door de Vlaamse regering aangewezen dienst worden ingediend;

De aanvragen voor creatieopdrachten moeten uiterlijk (datum nader te bepalen) bij de door de Vlaamse regering aangewezen dienst worden ingediend.

§ 2. De Vlaamse regering bepaalt in hoeveel exemplaren en op welke wijze de aanvraag tot subsidiëring overgemaakt moet worden. Zij bepaalt eveneens welke gegevens en documenten de aanvraag tot subsidiëring minimaal moet bevatten.

§ 3. De door de Vlaamse regering aangewezen dienst onderzoekt of de aanvraag tijdig en volledig werd ingediend en voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 20. Indien de aanvraag niet tijdig of onvolledig werd ingediend of niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 20 is deze aanvraag onontvankelijk.
De Vlaamse regering bepaalt nader de procedure voor de behandeling van onontvankelijke aanvragen.

§ 4. De Vlaamse regering bepaalt nader de procedure voor het aanvragen en toekennen van subsidies, zoals bedoeld in artikel 19.

§ 5. De Vlaamse regering neemt de beslissing over de toekenning, over de grootte van de subsidies, bedoeld in artikel 19, uiterlijk vier maanden na de ultieme indieningsdatum van de aanvragen tot subsidiëring, zoals bepaald in § 1.
back to inhoudsopgave KD

Afdeling 1. - Ontwikkelingsgerichte beurzen
Art. 22.
§ 1. Ontwikkelingsgerichte beurzen worden ter ondersteuning van hun kunstenaarspraktijk toegekend aan kunstenaars aan wiens oeuvre een bijzondere kwaliteit of mogelijkheden toegeschreven worden.

§ 2. De Vlaamse regering kan, rekening houdend met de specificiteit van de deelvelden, per deelveld een leeftijdsgrens opleggen voor de toekenning van ontwikkelingsgerichte beurzen.
back to inhoudsopgave KD

Art. 23.
§ 1. De aanvraag tot toekenning van een ontwikkelingsgerichte beurs gebeurt aan de hand van een aanvraagdossier waarin de aanvrager van de subsidie zijn werkplan voor de komende periode toelicht, een actueel artistiek curriculum vitae voorlegt, alsook documentatiemateriaal dat een adequaat beeld geeft van het artistieke oeuvre van de aanvrager.
back to inhoudsopgave KD

Art. 24.
§ 1. De toekenning van ontwikkelingsgerichte subsidies en de vaststelling van het subsidiebedrag gebeurt op basis van de artistieke kwaliteit van het oeuvre van de kunstenaar.

Daarbij wordt rekening gehouden met :

1° het belang en de kwaliteit van het oeuvre van de kunstenaar binnen het hedendaagse kunstenlandschap en/of binnen de internationale context;
2° het belang en de kwaliteit van het reeds door de kunstenaar afgelegde artistieke parcours;
3° de groeimogelijkheden en de consistentie van het oeuvre.

§ 2. Aanvullend zal rekening worden gehouden met de mogelijkheden tot een heroriëntering van het oeuvre

§ 3. In aanvulling van de criteria, genoemd in § 1 van dit artikel, mag de Vlaamse regering aanvullende criteria bepalen.
back to inhoudsopgave KD

Art. 25.
§ 1. Ontwikkelingsgerichte beurzen worden in principe verleend en uitbetaald aan de kunstenaar. De Vlaamse regering kan evenwel in bepaalde gevallen besluiten dat de uitbetaling van deze subsidies, geheel of ten dele, niet aan de kunstenaar zelf gebeurt maar aan een door de kunstenaar aan te duiden rechtspersoon of feitelijke vereniging

§ 2. In toepassing van artikel 55, tweede lid van de wetten op de Rijkscomptabiliteit; gecoördineerd op 17 juli 1991, wordt, voor wat de aan kunstenaars toegekende ontwikkelingsgerichte beurzen betreft, aan de toelagetrekker vrijstelling verleend van de verplichting om een financiële verantwoording te verstrekken voor de aanwending van de ontvangen bedragen. Het volstaat dat de kunstenaar een inhoudelijk verslag indient bij de daartoe door de Vlaamse regering aangewezen dienst.
back to inhoudsopgave KD

Afdeling 2. - Projectbeurzen
Art. 26.
§ 1. Projectbeurzen worden toegekend aan kunstenaars ter ondersteuning van de realisatie van een specifiek project. Deze projecten kunnen zich ondermeer situeren op het vlak van de presentatie van een oeuvre, de reflectie inzake een oeuvre als op het vlak van de productie van een specifiek werk.
Voor projecten uit het veld van de muziek en de podiumkunsten kunnen alleen projectbeurzen worden toegekend die zich situeren op het vlak van de reflectie of de presentatie.
back to inhoudsopgave KD

back to inhoudsopgave KD
§ 1. De aanvraag tot toekenning van een projectbeurs gebeurt aan de hand van een aanvraagdossier waarin de aanvrager van de subsidie een omschrijving geeft van het project waarvoor hij een subsidie aanvraagt, alsook de financieringswijze van het project. Dit aanvraagdossier bevat tevens een actueel artistiek curriculum vitae en documentatiemateriaal dat een adequaat zicht geeft van het artistieke oeuvre van de aanvrager.
back to inhoudsopgave KD

Art. 28.
§ 1. De toekenning van projectbeurzen en de vaststelling van het subsidiebedrag gebeurt op de wijze bepaald onder artikel 24 § 1.

Bijkomend worden volgende criteria getoetst:
1° de haalbaarheid van de voorgestelde financieringswijze van het project;
2° de kwaliteit van de eventuele projectpartners;
3° het belang van het project voor de verdere oeuvre-ontwikkeling van de kunstenaar.

§2 In aanvulling van de criteria, genoemd in § 1 van dit artikel, mag de Vlaamse regering aanvullende criteria bepalen.
back to inhoudsopgave KD

Art. 29.
§ 1. Projectbeurzen worden in principe verleend en uitbetaald aan de kunstenaar. De Vlaamse regering kan evenwel in bepaalde gevallen besluiten dat de uitbetaling van deze subsidies, geheel of ten dele, niet aan de kunstenaar zelf gebeurt maar aan een door de kunstenaar aan te duiden rechtspersoon. Tevens kan de Vlaamse regering besluiten dat de financiële verantwoording van deze subsidies door dezelfde rechtspersoon gebeurt.

§ 2. Tenzij de Vlaamse regering dit anders bepaalt, gebeurt de afrekening van een projectbeurs aan de hand van een gestaafd overzicht van de inkomsten en uitgaven met betrekking tot het project. De kunstenaar kan, tenzij de Vlaamse regering dit anders bepaalt, in de afrekening van het project een forfaitaire creatievergoeding opnemen à rato van maximum 20 % van de totale kosten van het project.
back to inhoudsopgave KD

Afdeling 3. - Creatieopdrachten
Art. 30.
Subsidies voor creatieopdrachten worden toegekend aan de opdrachtgever ter ondersteuning van de creatie en presentatie van nieuwe werken binnen het veld van de beeldende kunst, de muziek en de podiumkunsten.
back to inhoudsopgave KD

Art. 31.
§ 1. Om in aanmerking te komen voor de toekenning van een subsidie voor een creatieopdracht in de zin van artikel 19, 3° van dit decreet gelden volgende bijkomende voorwaarden :

1° de opdrachtgever moet beschikken over rechtspersoonlijkheid met niet-commercieel karakter;

2° de opdrachtgever moet gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalig gebied van Brussel-Hoofdstad;

3° het opdrachtwerk moet door de opdrachtgever worden uitgevoerd; de Vlaamse regering bepaalt de termijn waarbinnen het opdrachtwerk uitgevoerd moet worden;

4° het opdrachtwerk moet een origineel werk zijn;

5° het opdrachtwerk mag door de kunstenaar niet gecreëerd worden in opdracht van een onderwijsinstelling als proef die hij moet afleggen aan dezelfde onderwijsinstelling.

§ 2. Subsidies voor een creatieopdracht worden steeds door de opdrachtgever aangevraagd.

§ 3. Subsidies voor een creatieopdracht voor een en dezelfde tekst kunnen niet worden aangevraagd zowel in het Vlaams Fonds voor de Letteren als in het kader van onderhavig decreet.
back to inhoudsopgave KD

Art. 32.
§ 1. De aanvraag tot toekenning van een subsidie voor een creatieopdracht gebeurt aan de hand van een aanvraagdossier waarin de aanvrager van de subsidie een omschrijving geeft van de creatieopdracht waarvoor hij een subsidie aanvraagt, alsook van de financieringswijze. Dit aanvraagdossier bevat tevens een actueel artistiek curriculum vitae en documentatiemateriaal dat een adequaat beeld geeft van het artistieke oeuvre van de kunstenaar aan wie de aanvrager een creatieopdracht wenst toe te kennen.

§ 2. Elke creatieopdracht dient te worden bewezen door een schriftelijke overeenkomst, gesloten tussen de kunstenaar en de opdrachtgever. De Vlaamse regering bepaalt nader de modaliteiten van deze overeenkomst, met inbegrip van de elementen die een dergelijke overeenkomst minimaal dient te bevatten.

§ 3. De toekenning van creatieopdrachten en de vaststelling van het subsidiebedrag gebeurt op de wijze bepaald onder artikel 24 § 1.

Bijkomend worden volgende criteria getoetst
1° de haalbaarheid van de voorgestelde financieringswijze van het project;
2° de kwaliteit van de opdrachtgever;
3° de relevantie van de contractueel bedongen uitvoeringen;
4° de door de opdrachtgever geplande promotie voor het opdrachtwerk;
5° het belang van de creatieopdracht voor de verdere oeuvre-ontwikkeling van de kunstenaar.

§ 4. In aanvulling van de criteria, genoemd in § 3 van dit artikel, mag de Vlaamse regering aanvullende criteria bepalen.
back to inhoudsopgave KD

Art. 33.
§ 1. Subsidies voor creatieopdrachten worden verleend aan de opdrachtgever. Ze worden echter rechtstreeks aan de kunstenaar aan wie de creatieopdracht werd toegekend uitbetaald.

§ 2. In toepassing van artikel 55, tweede lid van de wetten op de Rijkscomptabiliteit; gecoördineerd op 17 juli 1991, wordt, voor wat de subsidies voor creatieopdrachten betreft, aan de toelagetrekker vrijstelling verleend van de verplichting om een financiële verantwoording te verstrekken voor de aanwending van de ontvangen bedragen. Het volstaat dat de kunstenaar aan wie de opdracht werd toegekend daartoe een exemplaar van het opdrachtwerk deponeert bij het Muziekcentrum van de Vlaamse Gemeenschap voor opdrachten binnen het veld van de muziek of bij het Steunpunt Podiumkunsten voor opdrachten binnen het veld van de podiumkunsten.
Voor creatieopdrachten binnen het veld van de beeldende kunsten dient de kunstenaar bij de administratie een verslag met ontwerpschetsen in te dienen.

§ 3. Indien de kunstenaar niet of laattijdig het opdrachtwerk voltooit, kan de Vlaamse regering de kunstenaar verplichten om de aan hem of haar uitbetaalde subsidie geheel of ten dele terug te betalen. De terugvordering hiervan kan gebeuren overeenkomstig artikel 94 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.
back to inhoudsopgave KD


HOOFDSTUK IV.- SUBSIDIERING VAN organisaties voor KUNSTEDUCATIE EN ORGANISATIES VOOR SOCIAAL-ARTISTIEKE WERKING

Afdeling 1. – Subsidiëring voor het geheel van de werking
Onderafdeling A. – Technieken en vormen van subsidiëring
Art. 34.

§ 1. Aan organisaties, bedoeld in artikel 3,§1,14°-15°, kunnen subsidies worden verleend voor het geheel van hun werking.

§ 2. De jaarlijks door het Vlaams Parlement goedgekeurde kredieten bepalen het maximale bedrag aan subsidies dat jaarlijks aan de in § 1 vermelde begunstigden toegekend kan worden.

§ 3. Het in artikel 35, §1 vooropgestelde meerjarige financieringsbudget wordt in het betrokken begrotingsjaar verminderd indien de naleving van de budgettaire beperking, vermeld in § 2 van dit artikel, dit noodzakelijk maakt.
back to inhoudsopgave KD

Art. 35.
§ 1. De subsidies, bedoeld in artikel 34, § 1, kunnen om de vier jaar toegekend worden in de vorm van een vierjaarlijks financieringsbudget. Dit financieringsbudget bevat de nodige middelen voor de subsidiëring van basis-, personeels-, en werkingskosten van de organisaties, bedoeld in artikel 3, § 1, 14°-15°.

De subsidies, bedoeld in artikel 34, § 1, kunnen om de twee jaar toegekend worden in de vorm van een tweejaarlijks financieringsbudget. Dit financieringsbudget bevat de nodige middelen voor de subsidiëring van basis-, personeels-, en werkingskosten van de organisaties, bedoeld in artikel 3, § 1, 14°-15°. De minister kan beslissen een tweejarige subsidie toe te kennen aan organisaties die een vierjarige subsidiëring aanvragen.

§ 2. De subsidies, bedoeld in artikel 34, § 1, worden in de vorm van voorschotten per kwartaal beschikbaar gesteld. De Vlaamse regering bepaalt hoe de voorschotten berekend, uitbetaald en teruggevorderd kunnen worden.

§ 3. Bij de aanvang van elk werkingsjaar mag de Vlaamse regering de subsidies aanpassen ter financiering van de extra personeelsuitgaven die voortvloeien uit de stijging van het indexcijfer op basis waarvan de salarissen van de Vlaamse ambtenaren worden berekend. Onverminderd artikel 34, § 2, gebeurt de aanpassing van deze subsidies binnen de perken van de door het Vlaams Parlement goedgekeurde kredieten.
back to inhoudsopgave KD

Art. 36.
§ 1. De aanvragen tot subsidiëring van een vierjarige periode moeten uiterlijk op 1 september van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan de ingang van de meerjarige subsidieperiode bij de door de Vlaamse regering aangewezen dienst worden ingediend;

De aanvragen tot subsidiëring van een tweejarige periode moeten uiterlijk op 1 maart van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan de ingang van de meerjarige subsidieperiode bij de door de Vlaamse regering aangewezen dienst worden ingediend.

§ 2. De Vlaamse regering bepaalt in hoeveel exemplaren en op welke wijze de aanvraag tot subsidiëring overgemaakt moet worden. Zij bepaalt eveneens welke gegevens en documenten de aanvraag tot subsidiëring minimaal moet bevatten.

§ 3. De door de Vlaamse regering aangewezen dienst onderzoekt of de aanvraag tijdig en volledig werd ingediend en voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 37 §1. Indien de aanvraag niet tijdig of onvolledig werd ingediend of niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 37 §1 is deze aanvraag onontvankelijk.
De Vlaamse regering bepaalt nader de procedure voor de behandeling van onontvankelijke aanvragen.

§ 4. De Vlaamse regering bepaalt nader de procedure voor het aanvragen en toekennen van subsidies, zoals bedoeld in artikel 34 § 1.

§ 5. De Vlaamse regering beslist over de toekenning en over de grootte van de subsidies, bedoeld in artikel 34 § 1 aan de hand van de relevante beoordelingscriteria, bedoeld in artikel 37.

§ 6. De Vlaamse regering neemt de beslissing over de toekenning van de subsidies, bedoeld in artikel 34 § 1, uiterlijk zes maanden na de ultieme indieningsdatum van de aanvragen tot subsidiëring, zoals bepaald in § 1.

§ 7. Als de Vlaamse regering niet tijdig een beslissing neemt over de toekenning van de meerjarige subsidiëring, dan wordt de subsidiëring van de organisaties die reeds in toepassing van artikel 34, § 1, gesubsidieerd werden, met één jaar verlengd. Onverminderd artikel 34, § 2, is de voor dat jaar uitgekeerde subsidie gelijk aan een vierde van het financieringsbudget van vier jaar of een tweede van het financieringsbudget van twee jaar, eventueel met een aanpassing, zoals bedoeld in artikel 35, § 3.
back to inhoudsopgave KD

Onderafdeling B. – Basisvoorwaarden en beoordelingscriteria
Art. 37.
§ 1. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, moeten de organisaties, bedoeld in artikel 3 § 1, 14° en 15°, voldoen aan de volgende basisvoorwaarden:

1° beschikken over rechtspersoonlijkheid met niet-commercieel karakter;

2° gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;

3° een beleidsplan en begroting indienen en uitvoeren;

4° het inhoudelijke beleid, op grond van het beleidsplan, toevertrouwen aan een persoon (of personen) die de leiding uitoefent (of uitoefenen) contractueel verbonden is (of zijn) met de organisatie;

5° het zakelijke beleid toevertrouwen aan een zakelijke leiding, die contractueel verbonden is met de organisatie; zowel het inhoudelijke als het zakelijke beleid kan aan eenzelfde persoon worden toevertrouwd;

6° de collectieve arbeidsovereenkomsten van de sector waarin subsidie wordt aangevraagd, gesloten tussen de erkende vakbonden en werkgeversfederaties en geregistreerd op het Ministerie van Arbeid en Tewerkstelling, naleven;

7° een boekhouding voeren conform de bepalingen van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen.

§ 2. Organisaties zoals bedoeld in artikel 3 § 1, 14°-15° moeten voldoen aan een aantal kwantitatief meetbare criteria: de Vlaamse regering bepaalt de criteria en de minima die moeten behaald worden.

Per werkingsjaar een minimum procent van 5% aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de totale uitgaven.

§ 3. Het inhoudelijke en financieel beleidsplan, bedoeld in § 1, 3° van dit artikel is een nota waarin de organisatie:

- haar inhoudelijke beleidsvisie toelicht, uiteenzet hoe zij zichzelf, in vergelijking met andere organisaties, binnen het veld positioneert en omschrijft waaruit de eigen werking bestaat;

- haar zakelijke beleidsvisie toelicht. De organisatie geeft daarbij aan hoe het management van de organisatie functioneert en op welke manier zij aan de kwaliteitsontwikkeling van de eigen organisatie werkt;

- haar inhoudelijke, organisatorische en financiële planning voor de komende subsidieperiode op realistische en, minstens wat het eerste werkjaar van deze periode betreft, meer gedetailleerde wijze uiteenzet.

De organisatie is verplicht om met betrekking tot elk dienstjaar een geactualiseerd beleidsplan in te dienen.

De Vlaamse regering bepaalt nader de inhoud van het inhoudelijk en financieel beleidsplan, de wijze waarop dit jaarlijks geactualiseerd moet worden en de wijze waarop en de termijn waarbinnen de organisatie dit geactualiseerd beleidsplan moet indienen.
back to inhoudsopgave KD

Art. 38.
§ 1. Wat betreft organisaties bedoeld in artikel 3 § 1, 14°, worden, om de grootte van het financieringsbudget te bepalen, – rekening houdend met de specificiteit van de betrokken organisatie – de volgende beoordelingscriteria gehanteerd, voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van de gesubsidieerde activiteit:
1° kwaliteit van het educatieve concept en concrete (uit)werking;
2° samenwerking met kunstenaars / artistieke praktijk / culturele instellingen en samenwerkingsverbanden met socio-culturele verenigingen en onderwijsinstellingen;
3° vernieuwend karakter van de gehanteerde methoden;
4° geografische spreiding;
5° voorbeeldfunctie binnen het educatieve veld;
6° multidisciplinaire aanpak;
7° het organisatorisch, financieel en boekhoudkundig management.

§ 2. Wat betreft organisaties bedoeld in artikel 3 § 1, 15°, worden, om de grootte van het financieringsbudget te bepalen, – rekening houdend met de specificiteit van de betrokken organisatie – de volgende beoordelingscriteria gehanteerd, voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van de gesubsidieerde activiteit:

1° kwaliteit van het sociaal-artistieke concept en concrete uitwerking;
2° betrokkenheid van de deelnemers;
3° kwaliteit van de procesbegeleiding;
4° samenwerking met kunstenaars / artistieke praktijk / sociale en culturele organisaties;
5° vernieuwend karakter van de gehanteerde methoden;
6° voorbeeldfunctie binnen het sociaal-artistieke veld;
7° het organisatorisch, financieel en boekhoudkundig management.

§ 3. In aanvulling van de criteria, genoemd in § 1 en §2 van dit artikel, kan de Vlaamse regering aanvullende criteria bepalen. De lijst van aanvullende criteria moet tijdig kenbaar gemaakt worden en ten laatste drie maanden vooraleer de aanvraag tot subsidiëring moet worden ingediend. Als deze aanvullende criteria niet tijdig kenbaar gemaakt worden, gelden de aanvullende criteria die het laatst van toepassing zijn.
back to inhoudsopgave KD

Art. 39.
Onverminderd artikel 37, kan de Vlaamse regering bijkomende subsidiëringsvoorwaarden opleggen met de uitsluitende bedoeling dubbele subsidiëring vanwege de Vlaamse Gemeenschap te voorkomen.
back to inhoudsopgave KD

Afdeling 2.- Subsidiëring van projecten
Art. 40.
Aan organisaties kunnen subsidies worden toegekend voor de realisatie van een project.
back to inhoudsopgave KD

Art. 41.
Organisaties, die reeds gesubsidieerd worden, zoals bedoeld in artikel 3, §1 kunnen geen subsidie verkrijgen, zoals bedoeld in artikel 40.
back to inhoudsopgave KD

Art. 42.
De subsidies, bedoeld in artikel 40, worden in de vorm van voorschotten beschikbaar gesteld. De Vlaamse regering bepaalt hoe de voorschotten berekend, uitbetaald en teruggevorderd kunnen worden.
back to inhoudsopgave KD

Art. 43.
Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, zoals bedoeld in artikel 40, moeten de organisaties voldoen aan de volgende basisvoorwaarden :

1° beschikken over rechtspersoonlijkheid met niet-commercieel karakter, zoals de vereniging zonder winstgevend doel en de instelling van openbaar nut;

2° gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;
back to inhoudsopgave KD

Art. 44.
§ 1. Wat betreft projecten bedoeld in artikel 3 § 2, 11°, worden, – rekening houdend met de specificiteit van de betrokken organisatie – de volgende criteria gehanteerd, voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van de gesubsidieerde activiteit:

1° kwaliteit van het educatieve concept;
2° samenwerking met kunstenaars / artistieke praktijk en samenwerkingsverbanden met socio-culturele verenigingen en onderwijsinstellingen;
3° vernieuwend karakter van de gehanteerde methoden;
4° geografische spreiding;
5° voorbeeldfunctie binnen het educatieve veld;
6° het organisatorisch, financieel en boekhoudkundig management.

§ 2. Wat betreft projecten bedoeld in artikel 3 § 2, 12°, worden, – rekening houdend met de specificiteit van de betrokken organisatie – de volgende criteria gehanteerd, voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van de gesubsidieerde activiteit:
1° kwaliteit van het sociaal-artistieke concept en concrete uitwerking;
2° betrokkenheid van de deelnemers;
3° kwaliteit van de procesbegeleiding;
4° samenwerking met kunstenaars / artistieke praktijk / sociale en culturele organisaties;
5° vernieuwend karakter van de gehanteerde methoden;
6° het organisatorisch, financieel en boekhoudkundig management.

§ 3. In aanvulling van de criteria, genoemd in §1 en §2 van dit artikel, kan de Vlaamse regering aanvullende criteria bepalen.
back to inhoudsopgave KD

Art. 45.
§ 1. De aanvragen tot subsidiëring moeten uiterlijk 1 oktober bij de door de Vlaamse regering aangewezen dienst worden ingediend.

§ 2. De Vlaamse regering bepaalt in hoeveel exemplaren en op welke wijze de aanvraag tot subsidiëring overgemaakt moet worden. Zij bepaalt eveneens welke gegevens en documenten de aanvraag tot subsidiëring minimaal moet bevatten.

§ 3. De door de Vlaamse regering aangewezen dienst onderzoekt of de aanvraag tijdig en volledig werd ingediend en voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 43. Indien de aanvraag niet tijdig of onvolledig werd ingediend of niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 44 is deze aanvraag onontvankelijk.
De Vlaamse regering bepaalt nader de procedure voor de behandeling van onontvankelijke aanvragen.

§ 4. De Vlaamse regering bepaalt nader de procedure voor het aanvragen en toekennen van subsidies, zoals bedoeld in artikel 40.

§ 5. De Vlaamse regering beslist over de toekenning en over de grootte van de subsidies, bedoeld in artikel 40 aan de hand van de relevante beoordelingscriteria, bedoeld in artikel 44.

§ 6. De Vlaamse regering neemt de beslissing over de toekenning van de subsidies, bedoeld in artikel 40, uiterlijk vier maanden na de ultieme indieningsdatum van de aanvragen tot subsidiëring, zoals bepaald in § 1.
back to inhoudsopgave KD


Hoofdstuk V.- Subsidies aan internationale projecten
Art. 46.
Aan kunstenorganisaties en kunstenaars kunnen subsidies worden toegekend voor:
§ 1. Internationale projecten ;
§ 2. Werkverblijven;
§ 3. Internationale netwerkorganisaties;
§ 4. Tussenkomsten in reis-, verblijf- en transportkosten naar het buitenland en voor vertalingen uit het Nederlands naar andere talen.
back to inhoudsopgave KD

Art. 47.
Structureel gesubsidieerde organisaties waarvan de internationale activiteiten vervat zijn in hun financieringsbudget komen niet in aanmerking voor de ondersteuning vermeld in artikel 46, met uitzondering van de projecten ontwikkelingssamenwerking.
back to inhoudsopgave KD

Art. 48.
Om de grootte van het financieringsbudget te bepalen, worden – rekening houdend met de specificiteit van de betrokken organisatie – de volgende criteria gehanteerd, voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van de gesubsidieerde activiteit:

§ 1. Voor wat betreft internationale projecten:
1° de kwaliteit van het artistieke en/of inhoudelijke concept;
2° de artistieke uitstraling in binnen- en buitenland;
3° de internationale uitstraling van de buitenlandse partners;
4° de internationale uitstraling van de buitenlandse indieners wat betreft de sector van de beeldende kunsten;

§ 2. Voor wat betreft werkverblijven:
1° de kwaliteit van het oeuvre;
2° de kwaliteit van de locatie(s);

§ 3. Voor wat betreft internationale netwerkorganisaties:
1° kwaliteit van de werking;
2° draagvlak van het netwerk binnen de sectoren;
3° internationale uitstraling;
4° impact op vlak van concrete uitwisseling en samenwerking;
5° de uitwisseling van deskundigheid;
6° gedegen financiële onderbouw;

§ 4. Voor wat betreft tussenkomsten in reis, verblijf- en transportkosten naar het buitenland:
1° meerwaarde van de deelname aan een buitenlandse activiteit voor de eigen ontwikkeling
2° kwaliteit van de buitenlandse activiteit
back to inhoudsopgave KD

Art. 49.
In aanvulling met de criteria, genoemd onder artikel 48, §1-§4 kan de Vlaamse regering prioritaire bestemmingen bepalen.
back to inhoudsopgave KD

Art. 50.
Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, zoals bedoeld in artikel 46, moeten de organisaties voldoen aan de volgende basisvoorwaarden :

1° beschikken over rechtspersoonlijkheid met niet-commercieel karakter;
2° met uitzondering van de beeldende kunsten, gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;
back to inhoudsopgave KD

Art. 51.
§ 1. De aanvragen tot subsidiëring moeten uiterlijk (datum nader te bepalen) bij de door de Vlaamse regering aangewezen dienst worden ingediend.

§ 2. De Vlaamse regering bepaalt in hoeveel exemplaren en op welke wijze de aanvraag tot subsidiëring overgemaakt moet worden. Zij bepaalt eveneens welke gegevens en documenten de aanvraag tot subsidiëring minimaal moet bevatten.

§ 3. De door de Vlaamse regering aangewezen dienst onderzoekt of de aanvraag tijdig en volledig werd ingediend en voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 50. Indien de aanvraag niet tijdig of onvolledig werd ingediend of niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 50 is deze aanvraag onontvankelijk.
De Vlaamse regering bepaalt nader de procedure voor de behandeling van onontvankelijke aanvragen.

§ 4. De Vlaamse regering bepaalt nader de procedure voor het aanvragen en toekennen van subsidies, zoals bedoeld in artikel 46.

§ 5. De Vlaamse regering neemt de beslissing over de toekenning, over de grootte van de subsidies, bedoeld in artikel 46, uiterlijk vier maanden na de ultieme indieningsdatum van de aanvragen tot subsidiëring, zoals bepaald in § 1.
back to inhoudsopgave KD


Hoofdstuk VI.- Subsidies voor publicaties
Art. 52.
De Vlaamse regering kan, binnen de perken van de door het Vlaams Parlement goedgekeurde kredieten, subsidies toekennen, gericht op de ondersteuning van:
1° periodieke publicaties;
2° niet periodieke publicaties.
back to inhoudsopgave KD

Art. 53.
Om in aanmerking te komen voor subsidiëring in het kader van dit decreet moet de
publicatie een duidelijke artistieke en/of kunstkritische inhoud hebben.
back to inhoudsopgave KD

Art. 54.
§ 1. Publicaties die in aanmerking komen voor subsidiëring in het kader van
een ander decreet komen niet in aanmerking voor subsidiëring in het kader van onderhavig
decreet.

§ 2. Worden eveneens uitgesloten van subsidiëring in het kader van dit decreet: de
wetenschappelijke publicaties.

§ 3. De tijdschriften van organisaties die reeds gesubsidieerd worden op grond van de
bepalingen in hoofdstuk II van dit decreet, worden eveneens uitgesloten van subsidiëring
zoals bedoeld in artikel 52, 1°.
back to inhoudsopgave KD

Art. 55.
§ 1. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring zoals bedoeld in artikel 52 moet de uitgever van een publicatie voldoen aan volgende voorwaarden:

1° gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalig gebied van Brussel-
Hoofdstad;
2° voldoende expertise kunnen voorleggen wat betreft het uitgeven en distribueren van
publicaties, of kunnen aantonen dat men afdoende daarop kan beroep doen.

§ 2. Voor subsidiëring zoals bedoeld in artikel 52, 1°, voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 57.

§ 3. Voor subsidiëring zoals bedoeld in artikel 52, 2°, voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 60.

Art. 56.
§ 1. De aanvragen tot subsidiëring zoals bedoeld in artikel 52, 1° moeten uiterlijk 15 mei van het voorafgaande jaar bij de door de Vlaamse regering aangewezen dienst worden ingediend.

De aanvragen tot subsidiëring zoals bedoeld in artikel 52, 2° moeten uiterlijk 15 mei en uiterlijk 15 september bij de door de Vlaamse regering aangewezen dienst worden ingediend.

§ 2. De Vlaamse regering bepaalt in hoeveel exemplaren en op welke wijze de aanvraag tot subsidiëring overgemaakt moet worden. Zij bepaalt eveneens welke gegevens en documenten de aanvraag tot subsidiëring minimaal moet bevatten.

§ 3. De door de Vlaamse regering aangewezen dienst onderzoekt of de aanvraag tijdig en volledig werd ingediend en voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 55. Indien de aanvraag niet tijdig of onvolledig werd ingediend of niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 55 is deze aanvraag onontvankelijk.
De Vlaamse regering bepaalt nader de procedure voor de behandeling van onontvankelijke aanvragen.

§ 4. De Vlaamse regering bepaalt nader de procedure voor het aanvragen en toekennen van subsidies, zoals bedoeld in artikel 52.

§ 5. De Vlaamse regering neemt de beslissing over de toekenning, over de grootte van de subsidies, bedoeld in artikel 52, uiterlijk (vier maanden?) na de ultieme indieningsdatum van de aanvragen tot subsidiëring, zoals bepaald in § 1.
back to inhoudsopgave KD


Afdeling 1. – Subsidies aan periodieke publicaties
Art. 57.
§ 1. Met periodieke publicaties wordt in het kader van dit decreet bedoeld tijdschriften, ongeacht de drager, die minstens twee maal per kalenderjaar verschijnen in een zelfde reeks,
en die een bovenregionaal belang en bereik hebben.

§ 2. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring zoals bedoeld in artikel 52, 1° moet de uitgever van een tijdschrift naast de voorwaarden zoals vermeld in artikel 55, § 1, voldoen aan volgende voorwaarden:

1° beschikken over een rechtspersoonlijkheid;
2° een redactioneel beleidsplan kunnen voorleggen over een periode die overeenstemt met de
subsidiëringsperiode;
3° een afzonderlijke boekhouding kunnen voorleggen met betrekking tot het tijdschrift.
back to inhoudsopgave KD

Art. 58.
§ 1. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring zoals bedoeld in artikel 52, 1° moet het
tijdschrift voldoen aan volgende beoordelingscriteria:

1° de artistieke en/of kunstkritische inhoud van het tijdschrift moet dominant aan bod komen;
2° een degelijke kwaliteit bieden, zowel naar inhoud als naar vormgeving;
3° een duidelijk en eigen profiel hebben;
4° een relevante positionering hebben in het landschap die in functie staat van de doelstelling en de ambities met betrekking tot het veld in het algemeen en tot het artistieke veld in het bijzonder;
5° het kunnen aantonen van een bovenregionale uitstraling en eventueel van een internationale uitstraling;
6° een samenwerking realiseren met de artistieke actoren in Vlaanderen en/of in het buitenland;
7° consistentie en continuïteit in de werking aantonen;
8° voldoende publieksgerichtheid, distributie en communicatie beogen;
9° tijdens de gesubsidieerde periode per werkingsjaar gemiddeld minimum 6 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de totale uitgaven ;
10° een gedegen zakelijk beheer en financiële onderbouw waarborgen;
11° een honorarium betalen aan de auteurs dat in verhouding staat tot de oplage.

§ 2. De Vlaamse regering kan in aanvulling op de beoordelingscriteria, genoemd in §1 aanvullende beoordelingscriteria bepalen, die ze gehouden is bekend te maken vóór 1 februari van het jaar waarin de aanvraag tot subsidiëring moet ingediend worden. Indien dit niet gebeurt gelden de criteria die het laatst van toepassing waren.
back to inhoudsopgave KD

Art. 59.
§ 1. De Vlaamse regering kent de subsidies zoals bedoeld in artikel 52, 1° toe
in de vorm van een tweejaarlijks financieringsbudget.

§ 2. Deze subsidie wordt uitbetaald in kwartaalvoorschotten van 22,5 % van de subsidie van het vorige jaar en een saldo na de afrekening van het voorbije kalenderjaar. De Vlaamse regering bepaalt nader de uitbetalingsregeling en de mogelijke terugvordering.
back to inhoudsopgave KD

Afdeling 2. – Subsidies aan niet periodieke publicaties
Art. 60.
§ 1. Met niet periodieke publicaties wordt in het kader van dit decreet bedoeld eenmalige publicaties .

§ 2. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring zoals bedoeld in artikel 52, 2° moet de uitgever van een publicatie naast de voorwaarden zoals vermeld in artikel 55 § 1, voldoen aan volgende voorwaarden:

1° beschikken over een rechtspersoonlijkheid, behalve wanneer het natuurlijke personen
betreft;
2° een degelijk publicatiedossier kunnen voorleggen dat minimaal omvat: een inhoudsopgave
een manuscript of een significant deel ervan, een biografie van de auteur of vertaler en een
calculatiemodel van geraamde kosten en inkomsten.

§ 3. In uitzonderlijke gevallen kan voor natuurlijke personen worden afgeweken van artikel 55, §1, 1°, wanneer het belang van de publicatie voor de Vlaamse cultuur kan aangetoond worden.
back to inhoudsopgave KD

Art. 61.
§ 1. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring zoals bedoeld in artikel 52, 2° moet een
publicatie voldoen aan volgende beoordelingscriteria:

1° voldoende relevantie hebben voor het culturele veld in het algemeen en voor een
artistieke sector in het bijzonder;
2° een duidelijke creatieve inbreng hebben of een geambieerd belang hebben voor een
artistieke sector en voor het culturele veld;
3° het kunnen aantonen van een bovenregionale uitstraling en eventueel van een inter- nationale uitstraling;
4° een degelijke kwaliteit bieden, zowel naar inhoud als naar vormgeving;
5° voldoende publieksgerichtheid, promotie en distributie beogen;
6° gedegen financiële onderbouw.

§ 2. De Vlaamse regering kan in aanvulling op of als nadere bepaling van de beoordelingscriteria genoemd in §1 van dit artikel, aanvullende beoordelingscriteria bepalen, die ze gehouden is bekend te maken te maken vóór 15 februari. Indien dit niet gebeurt gelden de beoordelingscriteria die het laatst van toepassing waren.
back to inhoudsopgave KD

Art. 62.
De Vlaamse regering bepaalt nader de uitbetalingsregeling en de mogelijke terugvordering.
back to inhoudsopgave KD


HOOFDSTUK VII.- SUBSIDIES AAN STEUNPUNTEN
Art. 63.
§ 1. Aan steunpunten, bedoeld in artikel 3, §6 1°-5° kunnen subsidies worden verleend voor het geheel van hun werking.

Art. 64.
§ 1. De kerntaken van een steunpunt zijn:
1° praktijkondersteuning: een actieve dienstverlening op vlak van deskundigheidsbevordering, kwaliteitszorg, informatie en documentatie, management, gegevensverzameling, publieksopbouw en -participatie, internationale samenwerking;
2° praktijkontwikkeling: op basis van permanente evaluatie en toegepast onderzoek een bijdrage leveren tot een continue ontwikkeling van het veld en het overheidsbeleid;
3° beeldvorming / communicatie: organiseren en coördineren van activiteiten en initiatieven die de kennis over de sector bevorderen bij de publieke opinie, de overheid en in het buitenland, en anderzijds bijdragen tot een hogere cultuurparticipatie, zowel inzake de kwantitatieve als de kwalitatieve dimensie.

Aan de steunpunten kunnen ook sectorspecifieke en sectoroverschrijdende taken worden toegewezen.

§ 2. De steunpunten vervullen een intermediaire rol tussen het veld en de overheid. Ze ondersteunen het veld en informeren het veld over het beleid van de overheid. Anderzijds communiceren de steunpunten met de overheid over (evoluties in) het veld en over gewenste beleidsontwikkelingen. Ze treden niet in de plaats van belangenbehartigende organisaties.

§ 3. Alle steunpunten hebben binnen hun werking aandacht voor de bevordering van de culturele diversiteit.
back to inhoudsopgave KD

Art. 65.
§ 1. De Vlaamse regering sluit een samenwerkingsovereenkomst met elk steunpunt met betrekking tot:
1° de in artikel 63 bedoelde kerntaken;
2° de samenwerking tussen de steunpunten uit hetzelfde beleidsveld en, al naargelang de inhoudelijke noodzaak, met steunpunten uit andere beleidsvelden;
3° de duur van de overeenkomst

§ 2. Het steunpunt concretiseert de overeenkomst in een beleidsplan, dat wordt opgemaakt voor een periode van vier jaar met een tussentijdse evaluatie halverwege de looptijd van het beleidsplan.

§ 3. De procedure voor het indienen van het beleidsplan, de voorwaarden waaraan het moet voldoen en de wijze waarop de evaluatie zal worden georganiseerd, wordt opgenomen in de overeenkomst, bedoeld in § 1 van dit artikel.
back to inhoudsopgave KD

Hoofdstuk VIII.- KWALITEITSbeoordeling
Art. 66.
§ 1. Voor het kwalitatief, inhoudelijk advies over dossiers voorgelegd voor subsidiëring richt de Vlaamse regering beoordelingscommissies op. Deze beoordelingscommissies worden samengesteld voor onderdelen van een beleidsveld of voor transversale beleidsaspecten.

§ 2. De administratie stelt voor elke beoordelingscommissie een lijst van 15 kandidaat-leden samen. Uit deze lijst benoemt de Vlaamse regering minimaal 3 en maximaal 12 leden.

§ 3. De leden van de beoordelingscommissie worden benoemd voor vier jaar. Om de twee jaar wordt de helft van de leden vervangen. Een lid kan maximaal twee mandaten vervullen.
back to inhoudsopgave KD

Art. 67.
De door de Vlaamse regering aangewezen dienst beoordeelt de werking en het beheer aan de hand van de relevante criteria en brengt daarover een gemotiveerd advies uit.
back to inhoudsopgave KD

Art. 68.
§1. Per beleidsveld richt de Vlaamse regering een adviescommissie op voor de algemene coördinatie van de kwaliteitsbeoordeling.

§ 2. De kerntaken van deze adviescommissies zijn:
1° waken over een kwaliteitsvolle organisatie van de interne werking van de beoordelingscommissies en daartoe de visie, de methodiek en de evaluatie van de kwaliteitsbeoordeling ontwikkelen;
2° formuleren van beleidsgericht advies op basis van de kwaliteitsbeoordeling in de beoordelingscommissies van het beleidsveld;
3° kwaliteitsbeoordeling van transversale dossiers voor zover die niet worden behandeld door een beoordelingscommissie

§ 3. De administratie stelt voor elke adviescommissie een lijst van 25 kandidaat-leden samen. Uit deze lijst benoemt de Vlaamse regering minimaal 8 en maximaal 12 leden. De leden van de beoordelingscommissies kunnen lid zijn van een adviescommissie.

§ 4. De leden van een adviescommissie hebben een globale visie op het beleidsveld.

§ 5. De leden van de adviescommissie worden benoemd voor vier jaar. Een lid kan maximaal 2 mandaten vervullen.

§ 6. Ambtenaren in dienst van de Vlaamse Gemeenschap of instellingen van de Vlaamse overheid, vertegenwoordigers van de Vlaamse regering en politieke mandatarissen, personeelsleden van steunpunten kunnen geen zitting hebben in een adviescommissie of een beoordelingscommissie. Zij kunnen wel op uitnodiging van het betreffende orgaan met raadgevende stem deelnemen aan haar vergaderingen, voor zover zij niet persoonlijk betrokken zijn bij de besproken dossiers.
back to inhoudsopgave KD

Art. 69.
De Vlaamse regering regelt de modaliteiten inzake aanstelling en ontslag van de leden van beoordelingscommissies en adviescommissies.
back to inhoudsopgave KD

Art. 70.
Elk jaar leggen de beoordelingscommissies en de adviescommissies een verslag met de evaluatie van hun werking voor aan de Vlaamse regering.
back to inhoudsopgave KD

Art. 71.
De leden van de beoordelingscommissies en de adviescommissies ontvangen een vergoeding voor hun werkzaamheden en verplaatsingen. De Vlaamse regering bepaalt de nadere modaliteiten van deze vergoedingen.
back to inhoudsopgave KD

Art. 72.
De algemene procedure van de beoordeling van dossiers voorgelegd voor subsidiëring verloopt als volgt:

1° de administratie beheert het aanvraagdossier. Zij treft de nodige voorbereidingen, controleert alle vormelijke aspecten, zoals ontvankelijkheid en volledigheid, en legt het dossier voor aan de beoordelingscommissie;

2° de beoordelingscommissie geeft een kwaliteits- en inhoudelijke beoordeling van het ingediende dossier met inbegrip van een indicatieve waardering. De administratie zorgt ervoor dat de commissieleden beschikken over alle nuttige informatie, inclusief een voorlopige zakelijke toetsing;

3° rekening houdend met het inhoudelijke en kwaliteitsadvies van de beoordelingscommissie stelt de administratie een voorontwerp van beslissing op over alle aspecten van het aanvraagdossier, met inbegrip van de financiële en beheersmatige aspecten. In dit document wordt het advies van de beoordelingscommissie integraal opgenomen.

4° de administratie stelt de beoordelingscommissie in kennis van het voorontwerp van beslissing. Indien er een grote discrepantie bestaat tussen het oordeel van de beoordelingscommissie en de administratie, houden beide partijen een deliberatiemoment, waarbij zij streven naar een geïntegreerd besluit;

5° het voorontwerp van beslissing gaat, in het geval van subsidies voor werkingen van ten minste twee jaar, naar de aanvrager, die op grond daarvan verhaal kan indienen bij de adviescommissie van het beleidsveld;

6° de beoordelingscommissie behandelt de verhaalschriften van de meerjarige subsidieaanvragen m.b.t. de kwaliteits- en de inhoudelijke aspecten. De administratie behandelt de verhaalschriften m.b.t. de financiële en beheersmatige aspecten en het geheel van voorontwerp van beslissing;

7° de administratie bereidt het ontwerp van beslissing voor en maakt het volledige dossier over aan de minister.
back to inhoudsopgave KD

Hoofdstuk IX.- Slotbepalingen.
Art. 73.
§1. De in hoofdstuk II, afdeling 1, hoofdstuk IV, afdeling 1 en hoofdstuk VII vernoemde subsidiëring impliceert erkenning.

§2. Dit decreet treedt in werking op …

§3. Overgangsmaatregelen …

§4. Worden opgeheven
1° het decreet van 31 maart 1998 houdende de regeling van de erkenning en de subsidiëring van professionele muziekensembles, concertorganisaties, muziekclubs, muziekeducatieve organisaties en festivals, het muziekcentrum van de Vlaamse Gemeenschap, het subsidiëren van muziekprojecten en compositieopdrachten en het verlenen van werkbeurzen, zoals gewijzigd;
2° het decreet van 18 mei 1999 houdende regeling van de erkenning en de subsidiëring van professionele organisaties voor Nederlandstalige dramatische kunst, professionele organisaties voor dans, professionele organisaties voor muziektheater, professionele kunstencentra, professionele festivals voor podiumkunsten en het steunpunt podiumkunsten van de Vlaamse Gemeenschap, en regeling van de subsidiëring van opdrachten aan scheppende kunstenaars;
3° het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van de Vlaamse Opera
5° het decreet van 19 december 1997 houdende oprichting van een Raad voor Cultuur, een Raad voor de Kunsten, een Raad voor Volksontwikkeling en Cultuurspreiding en van een adviserende Beroepscommissie inzake culturele aangelegenheden.
back to inhoudsopgave KD
back to top


Kunstendecreet Voorontwerp, 12/2003
Het Kabinet Van Grembergen verspreidt dit recentste voorontwerp van het kunstendecreet. Lees het aandachtig (Kunstendecreet Voorontwerp.PDF). Indien u nog vragen of opmerkingen hebt hierover, kan u dit ons laten weten, dan stappen wij nog eens naar het Kabinet om deze opmerkingen over te maken. Contacteer ons via Contact
back to top