"Instellingen geen doos playmobiel"
ACV-Transcom CULTUUR
Nieuws & info over een breeeeed cultureel veld
ALGEMEEN: CONTACT / HOME / NIEUWS / Sitemap /
FOCUS: MEDIA & CAO's Audiovisuele sector / CAO Muziek / CAO Podium / CAO's Socio-Cultuur/
FOCUS: Gezondheid / Hoorzitting 2005 /
Hoorzitting 2010-2011 / Kunstendecreet / Links / Pers / Wie zijn we /
STATUUT v/d KUNSTENAAR: STATUUT / Cachetberekening / Pensioen&Bijverdienen /
Homecachetberekening en voordeelregel

Cachetberekening

Indien je aanvullende informatie wil of nog vragen hebt, gebruik dan het handige formulier.

 

Toelaatbaarheid, cachetberekening, voordeelregel

Toelaatbaarheid
U moet voldoen aan de toegangsvoorwaarden voor uw leeftijdscategorie om uitkeringsgerechtigd te zijn. Hier geldt artikel 30 KB : 312 arbeidsdagen bewijzen in een referteperiode van 18 maanden voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag als je minder dan 36 jaar bent, 468 arbeidsdagen van 36 tot 50 jr in een referteperiode van 27 maanden, 624 dagen als je ouder bent dan 50 in een referteperiode van 36 maand.

Cachetberekening
- Berekening die een bepaald bedrag brutoloon gelijkstelt aan een aantal arbeidsdagen. Wordt voornamelijk gebruikt om het recht op uitkering de eerste maal te bewijzen. De cachetberekening is dus een alternatieve manier om het recht op uitkering te bewijzen die gaat kijken naar het verdiende brutoloon in plaats van naar de reële arbeidsdagen.

- Ze kan toegepast worden door
kunstenaars van het spektakelbedrijf die per prestatie werken (zonder uurrooster) in loondienst.

- De cachetberekening geldt in eerste instantie voor de "artiest-muzikant en artiest van het spektakelbedrijf", MAAR:
Sinds januari 2008 kunnen ook scheppende kunstenaars in de podiumsector de cachetberekening toepassen (bvb een kostuumontwerper in de opera of theater).

- Men berekent het aantal gewerkte dagen door het brutobedrag te delen door 38,43 euro (index februari 2012) . Op die manier is 11.991,84 euro brutoloon gelijk aan 312 arbeidsdagen.
(in 2010 was dat 36,94 €, op 01/05/2011 was dat 37,70).

- Reeds in een nota van RVA van mei 2011 wordt gesteld:
De specifieke berekeningswijze zal echter niet worden toegepast op de prestaties van een schilder, een beeldhouwer, een schrijver, een scenarioschrijver, ... die een werk maakt, het verkoopt en daarbij via een SBK de verkoopprijs omzet in een loon met RSZ-bijdragen.
Dat betekent in principe dat de werkgever in de RSZ-aangifte als betaalwijze heeft vermeld: "betaald per taak of per prestatie", maar het volstaat dus niet vast te stellen dat arbeid - zelfs artistieke arbeid - vergoed is met "taakloon", om de regel van artikel 10 MB toe te passen, maar de betaalwijze moet inherent zijn aan de aard van het werk.

- LET OP: Er bestonden heel wat problemen in verband met de Dimona- aangifte: er moest blijken dat men per prestatie werkte. En dus niet op een klassieke manier met een doorlopend contract.
--> IN DEZELFDE RVA NOTA STAAT ER NU:
Indien de voorwaarden, moet de werkgever in deze situatie toch de factoren Q en S vermelden in de DMFA-aangifte. De vermelding van de (fictieve) arbeidsduur in de DMFA betekent evenwel niet noodzakelijk dat het niet om een overeenkomst voor een bepaalde taak gaat en dat de specifieke berekeningswijze niet van toepassing is.
Indien de code 46 niet vermeld werd en/of indien de vermelding “taakloon” niet in de DMFA-aangifte staat, mag de specifieke berekeningswijze toegepast worden, op voorwaarde dat de werknemer op een andere manier aantoont dat het gaat om prestaties met een taakloon als muzikant of als artiest van het spektakelbedrijf en dat voorwaarden 1 en 2 zijn vervuld.

Wat de specifieke REGELS voor KUNSTENAARS in de werkloosheid betreft, verwijs ik naar de infobrief van RVA waarover meer ONDERAAN deze FAQwerkloosheid12_2011.
De laatste versie van de RVA Infobrief, klik INFOBRIEF RVA


- Lees ook het Historisch arrest voor kunstenaars waar de arbeidsrechtbank in Gent duidelijk stelde dat de toepassing van de cachetberekening niet afhangt van de functie maar gekeken dient te worden "naar de activiteiten die de kunstenaar feitelijk ontwikkeld heeft”. Met andere woorden is de toepassing volgens de rechtbank niet beperkt tot uitvoerende kunstenaars. Dat is net wat ACV Cultuur al langer predikt.

Voordeelregel
- De voordeelregel kan ervoor zorgen dat uw uitkering op het niveau van uw eerste vergoedbaarheidsperiode blijft. (Of als u te laat bent om dit te regelen voor de eerste periode, op het niveau van de tweede fase).

- De regeling geldt voor artiesten en voor technisch-artistieke jobs (zoals bv. podiumtechniekers).
RVA stelt in een nota van mei 2011 dat de voordeelregel van toepassing is op:
- op artiesten (hoofdzakelijk schouwspelartiesten)
- en techniekers tewerkgesteld in de artistieke sector (bv. : lichttechnici, kleedsters,…)
Dit betekent dat de werknemerscode die is vermeld op de sociale documenten of in de elektronische aangiften, zowel van een arbeider (015) als een bediende (495) kan zijn, en niet enkel die van een artiest (046).

- Bent u in hoofdberoep werkzaam in een bijzondere arbeidsmarkt waarin doorgaans gewerkt wordt met overeenkomsten van zeer korte duur (minder dan 3 maanden) dan kan u voor de vaststelling van het dagbedrag van de uitkering, genieten van een voordeelregeling. Het bedrag van de uitkering zal dan niet verder dalen.
- De regeling geldt voor 1 jaar, maar is verlengbaar.
-
Denkt u dat u de voorwaarden vervult, vraag dan via uw betalingsinstelling de voordeelregeling aan (aan de hand van tewerkstellingsbewijzen/C4's).

Om de voordeelregel te kunnen toepassen moet u dus:
- de voordeelregel aanvragen in je ACV dienstencentrum,
- idealiter VOOR het einde van je eerste fase (maar tweede fase kan ook verlengd worden).
- kunnen bewijzen dat je kunstenaar in hoofdberoep bent (men zal kijken naar je beroepsverleden en eventueel ook je opleiding)
- kunnen bewijzen dat je voornamelijk werkt met artistieke contracten korter dan 3 maand (in loondienst, rechtreeks bij een werkgever of via een SBK/interim).

Indien je aanvullende informatie wil of nog vragen hebt, gebruik dan het handige formulier.